Het zijn onzekere tijden, maar dit kunt u van ons verwachten!

Er is al veel gezegd en geschreven over de huidige crisis. Zowel persoonlijk als zakelijk, waarbij onder andere veel bedrijven het moeilijk hebben om het hoofd boven water te houden. Als Opstap mogen we echter niet klagen. Dagelijks monitoren we de ontwikkelingen en net als onze opdrachtgevers werken we er hard aan om de voortgang van het werk overeind te houden. Gelukkig ervaren wij als Opstap dat onze mensen en de bedrijven waarvoor zij werken nog volop actief zijn. En als het bij u doorloopt, dan ook bij ons!

Lees meer...

OnderhoudNL 292x230

Net als in andere sectoren, is in de schilders- en onderhoudsbranche het aantal flexibele banen geslonken en zijn meer arbeidskrachten in vaste dienst getreden. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bracht onlangs naar buiten dat voor het eerst in tien jaar in Nederland minder flexbanen zijn. Daartegenover staat een aanzwellende groei van het aantal vaste betrekkingen.

‘Het totale medewerkersbestand in onze sector is in mei 2019 ten opzichte van mei 2018 met twee procent gegroeid’, meldt directeur Okke Spruijt van ondernemersorganisatie OnderhoudNL. ‘Ik heb het dan over iedereen die binnen onze CAO valt, zoals schilders, glaszetters en vastgoedonderhoudsbedrijven.’ Binnen die totale groei onderscheidt Spruijt twee opvallende ontwikkelingen: het aantal vaste dienstverbanden is in de genoemde periode met vijf procent toegenomen, terwijl het aandeel uitzendwerk met negentien procent afnam.

Lange termijn-afspraken

‘Er is sprake van een groeiende economie en meer bestendigheid met betrekking tot opdrachten’, verklaart Spruijt. ‘In de bouw ligt veel werk, denk bijvoorbeeld aan corporaties die voor de taak staan hun woningen te verduurzamen. Er worden afspraken gemaakt over een veel langere termijn en dat geeft werkzekerheid. Daardoor willen en durven bedrijven weer mensen in dienst te nemen. In de crisis zag je juist het omgekeerde.’ OnderhoudNL juicht alle ontwikkelingen die leiden tot meer ‘vastigheid’ toe, zegt Spruijt. ‘Want dat geeft zekerheid en daarmee continuïteit.’

Ondertussen debatteert de Eerste Kamer over de nieuwe arbeidsmarktwet van minister Wouter Koolmees, die het aanbieden van vaste contracten moet stimuleren door flexwerk duurder te maken. Spruijt is kritisch: ‘Het duurder maken van de flexcomponent wil niet zeggen dat de politiek bereikt wat ze wil bereiken. Men beoogt: meer stabilisatie van de arbeidsmarkt als geheel. Maar we leven in tijden van hoogconjunctuur en dat is een lastige fase om zo’n wet te toetsen. Dat had eigenlijk al eerder moeten gebeuren, bijvoorbeeld tijdens de crisis.’

‘Even wachten met nieuwe wet’

Werkgevers zien in de cijfers van het CBS aanwijzingen dat de arbeidsmarkt zonder nieuwe wet al goed werkt, schreef Het Financieele Dagblad (FD) eerder al. ‘Ik heb het gevoel dat ondernemers al sneller schakelen om werknemers te behouden’, zegt MKB-voorzitter Jacco Vonhof in die krant. ‘Als je ziet dat de arbeidsmarkt al de goede beweging maakt, kun je je afvragen of het nodig is en of we niet heel even kunnen wachten, voordat we onheil over onszelf afroepen.’ Vonhof vreest bijvoorbeeld dat de wet seizoenswerk duurder maakt.

Ook Paul de Beer, bijzonder hoogleraar arbeidsmarktverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, vraagt zich in het FD af hoe groot de invloed van Koolmees’ wet zou zijn. Verwijzend naar de vorige arbeidsmarktwet: ‘Pas toen de conjunctuur aantrok, zag je dat het aantal vaste banen begon te stijgen. In die zin hebben werkgevers dus gelijk, als ze zich afvragen of het veel uit zal maken.’

Laagopgeleiden: meer flex

Het algemene beeld ten spijt; de trend dat mensen met een lage opleiding zijn aangewezen op een flexbaan, zet door. In het eerste kwartaal van dit jaar had van alle werkenden met een vmbo- of mbo-diploma, of enkele jaren havo achter de rug, slechts 51,4 procent een vaste baan. Voor degenen met een vwo-, hbo- of universitaire achtergrond ligt dat aantal op 66,4 procent en voor middelbaar opgeleiden op 62,8 procent.

(Bron: Schildersvak.nl)

3 jun 2019